Open post

Keto

Het ketogeen dieet als behandeling voor diabetes

Inleiding door Wim Tilburgs oprichter van Stichting Je Leefstijl Als Medicijn.

Toen ik in 2015 als een van de eersten in Nederland mijn diabetes omkeerde werd van diabetes gezegd dat het een ‘progressieve, chronische’ ziekte is – met andere woorden ongeneeslijk.

Inmiddels weten we wel beter. Via onze Facebookgroep Keer Diabetes Om met Je Leefstijl Als Medicijn ondersteunen we nu een hele grote groep mensen met diabetes. Daardoor zijn er inmiddels veel leden van deze groep volledig medicatievrij en zijn daarbij ook nog vaak tientallen kilo’s aan gewicht verloren en zien we vaak een enorme vermindering van buikomvang.

We baseren onze leefstijl aanpak op de vijf pijlers van een gezonde leefstijl. Voeding, beweging, stressreductie, natuurlijk bioritme en relaties/zingeving.

Bij de pijler voeding zetten we in op het verminderen van koolhydraten en het meeste en snelste effect zien we daarbij vooral met het ketogeen dieet.

Het navolgende artikel is geschreven door Sarah Neidler, PhD en wetenschappelijk beoordeeld door Raphael Sirtoli MSc. Raphael is lid van de adviesraad van Stichting Je Leefstijl Als Medicijn en mede oprichter van Nutrita.

Het ketogeen dieet als behandeling voor diabetes

Voordat we dieper ingaan op het onderwerp, moeten we eerst duidelijk maken wat diabetes is en hoe een ketogeen dieet wordt gedefinieerd.

Wat is een ketogeen dieet?

Een ketogeen dieet is laag in koolhydraten, vetrijk en gematigd in eiwitten. Voor iemand met een stabiel gewicht zou niet meer dan 5% van de calorieën afkomstig moeten zijn van koolhydraten, 70-80% van vet en 20-30% van eiwit. Met deze verdeling van macronutriënten, gebruiken mensen niet langer glucose als voornaamste energiebron, maar gebruiken ze in plaats daarvan vet als brandstof. Vet wordt gebruikt om ketonlichamen te produceren, die worden gebruikt voor energie of om bepaalde genen te reguleren. Twee ketonlichamen circuleren in je bloed: Acetoacetaat (AcAc) en Beta-hydroxybutyraat of β-hydroxyboterzuur (BhB). Een derde keton, aceton, wordt spontaan gevormd uit acetoacetaat. Het is geen energiebron, maar nuttig voor ketonenmeting.

Omdat het ketogeen dieet koolhydraten door vet vervangt, houdt het de bloedsuikerspiegel laag, vermindert het de behoefte aan insuline en heeft het een algeheel positief effect op de insulinesignalering. We zullen verderop beschrijven waarom dit zo cruciaal is voor diabetici.

Wat is diabetes?

De diagnose diabetes wordt gesteld wanneer je nuchtere bloedsuikerwaarde hoger is dan 7 mmol/l of 125 mg/dl  of je HbA1c (de gemiddelde bloedsuikerwaarde over 3 maanden) hoger is dan 48 mmol/mol of (6,5%).
Dat is echter niet wat de ziekte is, maar slechts hoe artsen het diagnosticeren – ongecontroleerde bloedsuikers. De ziekte bestaat al lang voordat je hoge en onstabiele bloedsuikerspiegels ziet.

Diabetes II is eigenlijk een stofwisselingsprobleem. Het wordt gekenmerkt door het feit dat het hormoon insuline zijn belangrijke werk niet langer op de juiste manier uitoefent. Je cellen en weefsels ´horen zijn signaal niet meer’ om het zo maar te zeggen. Je produceert dus steeds meer insuline, wat je alvleesklier uiteindelijk uitput. Deze overvloed aan insuline (hyperinsulinemie) waar je nu in zit, zorgt er ook voor dat je vetvoorraden onnodig vet afgeven. Dit overspoelt uiteindelijk je lever met overtollig vet (energie). Om de overtollige energie te verminderen, gaat je lever verwoed veel glucose produceren en wegpompen. Deze taak (gluconeogenese) kost relatief veel energie en lost tijdelijk de crisis van je lever door de grote hoeveelheid energie op.
Op langere termijn zijn er echter ernstige gevolgen, zoals:

  • hoge bloedsuikers
  • onstabiele energieniveaus
  • beschadigde weefsels (via glycosylatie en ROS)
  • neurodegeneratie
  • slechtere lichaamssamenstelling (met vet meestal op de verkeerde plaatsen opgeslagen)
  • enzovoorts.

Er zijn twee verschillende soorten diabetes, type 1 en type 2 en ze hebben verschillende oorzaken.

  • Type 1 is een auto-immuunziekte waarbij auto-antilichamen de insulineproducerende β-cellen in de pancreas aanvallen [2]. Bijgevolg produceren type 1-diabetici nauwelijks insuline. Ze moeten insuline injecteren om de zogenaamd ‘basale insulinebehoefte’ te dekken. Ze lopen ook tegen problemen aan bij het proberen om hun koolhydraatinname te dekken, wat we nog zullen bespreken.
  • Type 2 wordt veroorzaakt door omgevingsfactoren die leiden tot een verhoogde insulineresistentie, zoals de 3 grote voedingsfactoren: suiker, meel en zaadoliën. Om te begrijpen wat insulineresistentie is, zullen we eerst eens kijken naar de rol van insuline in het lichaam.

Insuline heeft 2 hoofdtaken, om vetten op de juiste manier in en uit je vetopslag te krijgen en ook om je bloedsuikers stabiel te houden [34]. Een verhoging van de bloedsuikerspiegel stimuleert de afgifte van insuline in de pancreas. Insuline bindt zich vervolgens aan insulinereceptoren, die glucosekanalen ontgrendelen zodat glucose in de cellen kan komen.

Een tweede belangrijke taak van insuline is de vetopslag [5]. Zolang er glucose uit de voeding in de bloedbaan terechtkomt, wordt het door de cellen opgenomen met behulp van insuline. Dit vermindert ook het gebruik van vet als brandstof.

Zolang insuline aanwezig is, worden vetzuren opgeslagen, bij voorkeur in vetweefsels. Insuline onderdrukt ook de lipolyse, de afgifte van vrije vetzuren uit de vetcellen. Insulineresistentie is het tegenovergestelde van insulinegevoeligheid; insulinegevoelig betekent dat cellen goed reageren op een beetje insuline, en insulineresistent betekent dat ze méér insuline nodig hebben om adequaat te reageren.

Met toenemende insulineresistentie worden deze fysiologische processen verstoord. Maar wat veroorzaakt insulineresistentie?

Wist je dat?

Vóór de ontdekking van insuline in 1921 was een koolhydraatarm dieet de enige manier om diabetes te behandelen, omdat ongecontroleerde bloedsuiker orgaanschade veroorzaakt en dramatische gevolgen heeft.

Ondanks de medische vooruitgang in bijna 100 jaar, is het risico van een diabeet om een ​​hartaandoening op te lopen niet afgenomen. Met andere woorden: een koolhydraatarm of ketogeen dieet is nog steeds de beste behandelingsoptie voor diabetes!

Als je start met een ketogeen dieet raden we mensen aan om dit in overleg met hun arts te doen. Want het gebruik van Sulfonylureumderivaten zoals bijvoorbeeld gliclazide of het gebruik van insuline kan in combinatie met een koolhydraatarm of ketogeen dieet hypoglykemie (een te laag glucose gehalte in het bloed) veroorzaken.

Echter over het afbouwen van medicatie bij het starten van een leefstijlprogramma zijn nog geen vaste richtlijnen vastgelegd. Daardoor kunnen adviezen hierover per arts verschillen. Recentelijk verscheen er nog een artikel over het afbouwen van medicatie in het het Nederlands Tijdschrift voor Voeding & Diëtiek. https://ntvd.media/artikelen/medicatie-afbouwen-bij-diabetes-type-2/ of dit artikel op de site van Skipr gebaseerd op een artikel van de vereniging arts en leefstijl https://www.skipr.nl/actueel/id35976-arts-en-leefstijl-introduceert-handleiding-voor-demedicalisering.html

Er zijn in zekere zin twee soorten insulineresistentie. Bij diabetes zien we pathologische (dat betekent slechte) insulineresistentie. Bij een ketogeen dieet zien we fysiologische (dat wil zeggen normale) insulineresistentie. Zie ook ons eerder verschenen artikel “Het ketogeen dieet veroorzaakt insulineresistentie

Het ketogene dieet leidt bloedsuikers bij voorkeur naar je hersenen en minder naar je spieren door je spieren insulineresistent te maken. Dus je hersenen worden tevreden gesteld met 30-50% van zijn glucosebehoefte en je spieren kunnen het zonder de glucose doen door vrolijk vetzuren te verbranden. Dit is normale metabole flexibiliteit.

Bij diabetes heb je  een vorm van insulineresistentie die metabolisch inflexibel is, wat je een slechte vetverbrander maakt en zwaar afhankelijk van glucose. Dit is schadelijk voor je cellen en organen. Het resulteert in geglyceerde weefsels en geperoxideerde vetten waardoor je snel veroudert, en het risico op hartaandoeningen, kanker en zelfs het verliezen van ledematen toeneemt!

Insulineresistentie wordt veroorzaakt door verschillende mechanismen, waaronder chronisch verhoogde insulinespiegels. Dus wat verhoogt de insulinespiegel? Voornamelijk suiker. Een slechte nachtrust kan dat ook, maar suiker is een grote factor. Dit kan door suiker komen uit onze voeding, of koolhydraten die tot glucose worden afgebroken. Eiwitten in combinatie met vetten kunnen ook worden omgezet in glucose, een proces dat gluconeogenese wordt genoemd, maar het is eigenlijk het effect van geraffineerde suikers en zetmeel (meel) in de voeding dat bloedsuiker- en insulinepieken veroorzaakt. Deze pieken worden dan vaak gevolgd door een bloedsuikercrash, wat leidt tot een gevoel van ongemak, zelfs zweten, en meestal een verlangen naar meer koolhydraatrijke voedingsmiddelen.

Wanneer we dit koolhydraatrijke voedsel meerdere malen per dag eten met weinig tijd tussen de maaltijden, zijn de insulineniveaus constant hoog gedurende de dag. In de loop der jaren reageren de cellen op deze constante overvloed aan glucose en vet door hun insulinereceptoren uit te schakelen. Met minder insuline-receptoren worden de cellen minder gevoelig voor de werking van insuline. Om dezelfde hoeveelheid glucose op te nemen, moet de alvleesklier meer insuline produceren.

Niet alleen cellen die glucose als brandstof gebruiken worden insulineresistent, maar ook chronisch ontstoken vetcellen. Wanneer die insulineresistent worden, nemen ze minder circulerende lipiden op, ondanks de hoge insulinelevels. De insulineresistentie verhoogt ook het vrijkomen van vrije vetzuren uit de vetopslag. Vrije vetzuren in het bloed verminderen de glucoseopname in de spiercellen en dragen verder bij aan de insulineresistentie.

Insulineresistentie wordt vaak gekenmerkt door hoge triglyceriden en een hoge verhouding triglyceriden tot HDL-cholesterol.

Een ander orgaan dat een essentiële rol speelt in de regulatie van de bloedsuikerspiegel is de lever. Het slaat overtollige glucose op als glycogeen, en wanneer het glucosegehalte laag is, wordt glycogeen afgebroken om glucose te leveren [6]. Dit proces wordt geregeld door twee hormonen: insuline en glucagon. Insuline bevordert normaal gesproken de glycogeensynthese en interfereert met het vrijkomen van glucose uit de lever.

Bij toenemende insulineresistentie kan de lever glucose afgeven ondanks de aanwezigheid van insuline – nog een mechanisme hoe insulineresistentie leidt tot een verhoging van de bloedsuikerspiegel. De insulineresistentie wordt na verloop van tijd slechter, dus er moet steeds meer insuline worden geproduceerd.

Op een gegeven moment raakt de alvleesklier letterlijk uitgeput en kan deze niet genoeg insuline produceren om zelfs de basisbloedsuiker onder controle te houden, laat staan na een koolhydraatrijke maaltijd. Deze toestand is het eindstadium van diabetes type 2 waarbij insuline-injecties noodzakelijk worden [7]. Type 2 diabetici produceren niet minder insuline dan normaal, maar de insulineresistentie verhoogt de behoefte aan insuline. Een diabetische alvleesklier is uiteindelijk niet meer in staat om aan deze toegenomen vraag te voldoen.

Dit klinkt als een vicieuze cirkel, en dat is het ook! Er is steeds meer insuline nodig en de toegenomen hoeveelheden insuline schroeven de insulineresistentie nog verder omhoog. Is er een manier om aan deze cyclus te ontsnappen? Goed nieuws: ja, er is een manier!

Hoe je de vicieuze cirkel doorbreekt met een ketodieet

Wanneer steeds grotere hoeveelheden insuline de insulineresistentie verergeren, is het logisch om de insulineniveaus zo laag mogelijk te houden. Is dit zinvol? Je merkt misschien dat dit precies het tegenovergestelde is van de standaardbehandeling voor diabetici. Ze krijgen externe insuline om het onvermogen van de alvleesklier om voldoende hoeveelheden van het hormoon te produceren te overwinnen.

Omdat insulineresistentie in de loop van de tijd erger wordt, hebben diabetici in de loop der jaren steeds meer externe insuline nodig.

Dus hoe houd je je insuline laag? Je moet de behoefte aan insuline verminderen. Insuline is nodig om glucose, vetten en eiwitten in de cellen te brengen en als we de hoeveelheid glucose in het bloed verminderen, is er minder behoefte aan insuline.

Je zou al kunnen vermoeden dat een koolhydraatarm of ketogeen dieet veel kan helpen – er is in principe geen suiker! Bij een ketodieet elimineren we alles wat bloedsuikerpieken veroorzaakt. Als gevolg hiervan is de bloedsuikerspiegel stabiel en op een gezond niveau.

Open post

Brein of darmen?

Vergelijk je darmen met je brein

 Het tweede brein - Wouter de Jonge

Wie naar de darmen kijkt ziet een orgaan dat ogenschijnlijk zelfstandig zijn gang gaat. Het zeven meter lange spijsverteringskanaal kneedt en stuwt het voedsel in golven van maag naar anus, haalt er onderweg nuttige stoffen uit en werkt de rest naar buiten. Het miraculeuze van dit systeem is dat het in principe geen sturing vanuit het brein nodig heeft. Van de zenuwactiviteit in de darm hebben we geen benul, het werkt volledig zelfstandig, autonoom noemen we dat. Er zitten waarschijnlijk zo’n 200 miljoen zenuwcellen in de darmen, niet zoveel als in de hersenen, maar meer dan in het ruggenmerg en een deel van het zenuwstelsel bij elkaar. Het is dus in feite een “tweede brein”. Die veelheid van zenuwcellen, en het uitgebreide netwerk van ontstekingscellen, met de aanwezigheid van triljarden bacteriën in het darmlumen, maakt een mix van systemen die elkaar nogal kunnen beïnvloeden.

Een geprikkeld brein
Net als in het echte 'eerste brein' heeft bijvoorbeeld een ontsteking een sterke invloed op het functioneren van het zenuwstelsel in de darm, namelijk de bewegingen van de darm, ook wel peristaltiek genoemd. Recentelijke onderzoeken hebben een fascinerende inkijk gegeven in de rol van ontsteking, maar ook van darmbacteriën op het functioneren van dit 'tweede brein'. Er zijn zelfs pioniers die claimen dat microbiota in het darmlumen gedrag of karakter van een gastheer bepalen. Zijn wij dan niet meer baas in eigen lichaam? Zo zouden specifieke darmbacteriestammen, bijvoorbeeld van Lactobacillus Rhamnosus, verantwoordelijk worden gehouden voor periodes van depressie in muizen. Alhoewel intrigerend, is er over het laatste nog veel onduidelijk. Over het concept van de relatie tussen microbiota en gedrag zijn ondertussen een veelheid van theorieën en overzichtsartikelen verschenen (waaronder meer dan 50 reviews over dit onderwerp van de genoemde Ierse onderzoeker John Cryan), maar het veld vaart wel bij nieuwe daadwerkelijk originele onderzoekingen. Wat dat betreft is dit een opwindende tijd waarin een relatie tussen microbiota en brein evident is maar mechanismen vaak nog volledig moeten worden onopgehelderd.

De prikkelbare darm
Een langdurige ontsteking, bijvoorbeeld een chronische darmontsteking zoals in de ziekte van Crohn of colitis ulcerosa, zal de zenuwen in de darmen dermate prikkelen zodat deze een gedaanteverandering ondergaan. Hierdoor veranderen ze tot uiterst prikkelbare zenuwen, die chronische pijn geven ook al is de ontsteking allang weer weg. Dit kan verklaren waarom veel patiënten met een chronische darmontstekingsziekte bij een kijkonderzoek van de darmen een geheeld darmslijmvlies laten zien, nog steeds klachten van buikpijn blijven houden.

Zo'n situatie komt onder allerlei condities voor, ook zonder een voorafgaande darmontsteking of andere aanwijsbare reden, en wordt prikkelbare darm syndroom genoemd, of afgekort PDS (IBS in het engels). Deze aandoening komt relatief frequent voor, bij zo’n 10-20% van de bevolking, waarbij het dus niet verwonderlijk is dat 40-50% van de patiënten bij de Maag-, Darm- Leverspecialist komt met daaraan gerelateerde klachten. PDS wordt door de klinische professionals veelal gezien als 'moeilijk te definiëren' patiënten met onduidelijke klachten. Deze aandoening is niet alleen veelvoorkomend, maar heeft ook een grote impact op de kwaliteit van leven. Zo is bijvoorbeeld de inschatting van de kwaliteit van leven van een PDS patiënt, gescoord middels gevalideerde vragenlijsten, lager dan die van een patiënt met astma of type II diabetes[1]. Er is dus alle reden voor goed onderzoek naar het ontstaan en de oorzaken van PDS.

Darm-mit-Charme-Intagram_Ankündigungsposting

Stress
Er is een duidelijke relatie tussen stress en IBS[2], en uit deze relatie zou men kunnen opmaken dat mensen die aan PDS leiden het vaak moeilijk vinden met stress om te gaan. Deze zou kunnen leiden tot lichamelijke klachten van chronische buikpijn en een onregelmatige stoelgang. Stress, en daardoor de activatie van het autonome (zelfregulerende) zenuwsysteem, kan ook worden gezien als het intrappen van een gaspedaal van het darmstelsel. De acute invloed van stress op toename van maagsap en het bewegen van de darmen mag iedereen bekend zijn uit eigen ervaring. Te vaak en te lang intrappen van een gaspedaal levert een oververhitte motor op en blijvende schade aan het motorblok of de besturing. Zo gaat dat ook met chronische stress. Soms is een stressvolle periode in de jeugd of als pasgeborene aanleiding voor verstoorde connecties in de hersenen, met name in het gebied van de hypothalamus, waarin de hormoonhuishouding wordt geregeld. Dit kan tot blijvende verstoringen leiden van de manier waarop men met 'normale' stress in het dagelijkse leven omgaat. Secuur uitgevoerde studies in groepen van bijvoorbeeld weeshuiskinderen, en kinderen die opgegroeid zijn gedurende de hongerwinter, wijzen uit dat chronische stress op de jonge leeftijd inderdaad kan leiden tot een verhoogde kans op het krijgen van PDS[3]. Omdat 'stress' een vraag begrip is, en men op vele manieren stress kan ondergaan, is fundamenteel onderzoek naar deze aandoening feitelijk alleen mogelijk met een degelijk proefdiermodel, als model voor stressgerelateerde buikpijn. Met behulp van zulke modellen hebben we zeer baanbrekende bevindingen gedaan, die binnenkort hun weg naar de wetenschappelijke literatuur en de patiënt zullen vinden.

Bioelectronica
Zenuwen spelen een belangrijke rol bij de spijsvertering maar kunnen ook ontstekingen in de darmen te lijf te gaan. Chronische ontstekingen van de darm komen veel voor, zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Het zijn ziektes die periodes kennen waarin de klachten zo nu en dan verergeren waarna de darm zich weer een tijdje rustig houdt. Momenteel loopt er een experimenteel onderzoek waarbij patiënten met chronische darmklachten een apparaatje krijgen dat de nervus vagus prikkelt om te kijken of de darmziekte en daaraan gerelateerde pijnklachten hierdoor verminderen.. De nervus vagus is de grootste zenuw die ook naar de darmen loopt. In Frankrijk zijn patiënten in een eenzelfde soort onderzoek opgenomen. Het zou een goed effect kunnen hebben, hoewel de groep patiënten nog klein is. In klinische studies van rheumatoide arthitis patienten is het stimuleren van deze specifieke zenuw erg effectief gebleken.

BOEK TIP VAN DANIELLE: 'De mooie voedselmachine - De Charme van je Darmen'

Open post

Voeding als medicijn

Depressie in je buik

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/01/depressie-in-je-buik-a3834350


Biologie
 Specifieke bacteriestammen ontbreken in de darmen van mensen met depressie, toont Belgisch onderzoek aan. De relatie tussen onze darmen en onze mentale gezondheid staat volop in de belangstelling.

Illustratie Roland Blokhuizen 

Darmbacteriën die een rol spelen bij ons geluksgevoel? Tot voor kort was dat een controversieel idee. Maar een grootschalige Belgische studie onthult nu voor het eerst een duidelijk verband. Mensen die depressief zijn of die zich minder gelukkig voelen missen bepaalde bacteriesoorten in hun darmen. Het is een ontdekking van de Belgische bio-informaticus Jeroen Raes.

‘Ons tweede brein’ worden onze darmen tegenwoordig vaak genoemd. De biljoenen bacteriën, virussen en schimmels die onze buik bevolken, samen het microbioom genoemd, blijken niet alleen te helpen bij het verteren van ons voedsel. Ware fabriekjes zijn het, die allerlei verschillende chemische stoffen maken die ons lijf en misschien zelfs ons brein beïnvloeden.

Stápels boeken en artikelen bejubelen de veronderstelde invloed van onze darmen op onze hersens, maar een duidelijk verband is nog lang niet vastgesteld. De meeste resultaten komen uit proefdieronderzoek, studies bij mensen waren tot nu toe schaars, klein en vaak slecht opgezet.

Poepmonsters

Met zijn collega’s van de KU Leuven bestudeerde Raes het volledige microbioom in de poepmonsters van 1.054 Belgen die meededen aan het Vlaamse Darm Flora Project. Hij deed hetzelfde bij een groep van ruim duizend Nederlanders uit het Groningse project LifeLines, en bij een derde groep van mensen met zware depressie in de kliniek van de KU Leuven.

„In alle drie de groepen werden de bacteriestammen Dialister en Coprococcus nauwelijks aangetroffen in de ontlasting van mensen die van hun huisarts de diagnose depressie hadden gekregen”, zegt Raes. En bij mensen die hoog scoorden op een test die hun kwaliteit van leven in kaart bracht, waren de bacteriestammen Coprococcus en Faecalibacterium juist in ruimere mate aanwezig dan bij mensen die lager scoorden. Raes publiceerde zijn bevindingen in februari in Nature Microbiology.

„Wat het voor patiënten betekent is nog niet te zeggen”, zegt Raes. „We hebben laten zien dat er een verband is. Maar we weten niet of de veranderde darmflora de depressie veroorzaakt, of dat de depressie de darmflora verandert.”

Erg enthousiast

Dat beaamt de Ierse hersenwetenschapper en grondlegger van het onderzoek naar wat hij ‘psychobiotics’ noemt, John Cryan. Hij is erg enthousiast over de studie. „Het is een eerste poging om de samenstelling van het microbioom in verband te brengen met depressie in een grote populatie. De volgende stap is uitzoeken of de bacteriën die veranderd zijn een rol spelen bij het ontstaan van depressie.”

Depressie gaat vaak samen met ontsteking in het brein

Jeroen Raes bio-informaticus

Op welke manier zouden deze specifieke darmbacteriën een effect kunnen hebben op onze mentale gesteldheid? Daar heeft Raes twee theorieën over. „De eerste draait om ontstekingsreacties. We weten dat Faecalibacterium en Coprococcus een stof produceren, butyraat ofwel boterzuur, die ontstekingsprocessen in de darm vermindert. Mogelijk is er een verhoogde kans op darmontstekingen als deze bacteriën er niet zijn. Depressie gaat vaak samen met ontsteking in de hersenen. Deze hypothese veronderstelt dat ontsteking in de darmen op een of andere manier gelinkt is met ontsteking in de hersenen.”

De tweede theorie berust op de stoffen die darmbacteriën maken . Raes ontdekte dat de microben in onze darmen iets unieks kunnen, iets wat bacteriën buiten ons lichaam niet kunnen. Raes: „Het gros van de darmbacteriën maakt stoffen die ons brein kunnen beïnvloeden, zoals dopamine, serotonine, acetylcholine en gamma-aminoboterzuur (GABA) – stoffen die zenuwcellen in onze hersenen gebruiken om met elkaar te communiceren.” De ontbrekende bacterie bij depressie, Coprococcus, speelt bijvoorbeeld een rol bij de dopamine-stofwisseling, ontdekte Raes.

Nieuwe generatie probiotica

De verstoring van de darmflora die Raes gemeten heeft, zou dus kunnen leiden tot een verandering in de productie van stoffen die op het brein kunnen inwerken.

Als blijkt dat de veranderde darmflora inderdaad depressie veroorzaakt, dan kunnen wetenschappers een nieuwe generatie probiotica gaan ontwikkelen: micro-organismen die we kunnen innemen omdat ze bijdragen aan een gezonde darmflora. Raes : „De huidige probiotica zijn vaak afkomstig uit yoghurt, zoals Lactobacillus of Bifidobacteriën. Ze bestaan vaak uit een of twee stammen. De nieuwe generatie probiotica zal bestaan uit complexe cocktails van bacteriën die van nature in de darmflora verblijven, afkomstig van gezonde menselijke donoren.”

Raes ziet steeds meer bedrijfjes die zich richten op zulke probiotica, niet alleen tegen depressie maar ook tegen andere aandoeningen, zoals metabool syndroom of prikkelbaredarmsyndroom. „Ik denk dat het een enorme toekomst heeft.”

Steriele muizen

Het doet denken aan poeptransplantaties. De bacteriën uit de ontlasting van een gezonde donor worden dan bij een ontvanger in de darm losgelaten. Bij knaagdieren heeft dit vaak goede resultaten. Steriele muizen die de darminhoud van dikke soortgenoten in hun maag-darmkanaal krijgen, worden dik. Krijgen ze die van dunne muizen, dan blijven ze slank. Bij mensen wordt een poeptransplantatie tot nu toe sporadisch gebruikt om chronische diarree te bestrijden.

„Voor alle andere aandoeningen zijn grote klinische studies niet gedaan”, zegt Raes. „Mede door onze studie begint depressie nu ook een kandidaat te worden voor dit soort trials. Maar voor het zover is, zijn er nog heel wat stappen te nemen.”

Mensen die in hun wanhoop zelf willen gaan experimenteren wil Raes dat sterk afraden. „Op YouTube kun je talloze filmpjes vinden voor do it yourself fecale transplantatie. Dat is ronduit gevaarlijk. Je weet niet wat je binnenkrijgt van een willekeurige donor.”

Groenten, fruit, granen

De vraag is natuurlijk waardoor de darmpopulatie bij mensen met een depressie veranderd is. Een voor de hand liggende oorzaak zou hun voeding kunnen zijn. Verschillende studies suggereren dat een mediterraan eetpatroon met veel groenten, fruit, granen, vezels en vis een gunstig effect heeft op depressie. De Leidse onderzoeker en psycholoog Marc Molendijk zette in 2017 de resultaten van 24 verschillende onderzoeken op een rij. „Uit dat onderzoek blijkt inderdaad dat onder mensen met een gezond voedingspatroon de symptomen van depressie minder vaak voorkomen,” zegt hij. „Dan kun je denken aan slaapproblemen, gewichtsveranderingen, concentratieproblemen .” Maar de echte diagnose depressie, gesteld door een arts, krijgen de gezonde eters even vaak als de slechte eters.

Het is nog niet duidelijk of gezonde voeding de depressieve symptomen voorkomt, of dat mensen die geen depressie hebben makkelijker gezond eten. Mensen met een depressie zouden het misschien moeilijk kunnen opbrengen om goed eten te kopen en klaar te maken .

Een groot, goed opgezet onderzoek waarbij groepen mensen een bepaald eetpatroon krijgen toegewezen en dan worden gevolgd zou uitsluitsel bieden. Alleen de Australische SMILES-trial is in 2017 zo gedaan, maar die is niet degelijk uitgevoerd, volgens Molendijk. „Het is absoluut nog niet wetenschappelijk vastgesteld dat het eten van gezonde voeding een directe invloed heeft op depressie.”

Darm-breinconnectie

De hersenonderzoeker en psychiater Timothy Dinan van University College Cork in Ierland, een van de eerste pleitbezorgers van de darm-breinconnectie, wil deze studies niet afwachten. Hij raadt mensen met een depressie een plantaardig voedingspatroon aan dat rijk is aan groente, fruit en granen (kortom: vezels) en vis. Dat schrijft hij in een overzichtsartikel dat op 17 november 2018 online verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Clinical Nutrition.

„Ik beveel dit dieet niet aan als alternatief voor medicijnen of psychologische therapie”, zegt Dinan desgevraagd. „Maar ik ben ervan overtuigd dat zulke behandelingen het beste werken in combinatie met een doeltreffend dieet en lichaamsbeweging.”

Of mediterrane voeding effect heeft op de twee bacteriestammen die Raes heeft gevonden, is moeilijk te zeggen. „Een vezelrijk dieet zal de groei van Faecalibacterium en Coprococcus bevorderen. Veel fruit en groente, veel afwisseling, lagere hoeveelheden vlees en vet. We weten dat voeding en darmflora verband houden met elkaar, maar het veld is nog niet zo ver om heel precies voeding te adviseren om de groei van bepaalde darmbacteriën te beïnvloeden. Er zijn veel bevindingen die niet waar bleken te zijn.”

Voedingsadvies kan hij dus nog niet geven. „Het verschilt ook per individu. Voor een gemiddeld persoon is een vezelrijke voeding zeer aan te bevelen, maar voor iemand met prikkelbaredarmsyndroom zou ik dat ten zeerste afraden. Wat ik wel kan bieden is een beloftevolle onderzoekslijn, en hopelijk rolt daar dan een interessant geneesmiddel uit.”

Scroll to top